Hoofstuk 2 - Vergeet-mij-niet, § 9

De volgende ochtend wordt Snow gewekt door een kabaal van jewelste. Vos, Raaf en Zwaan zijn ongeduldig aan het wachten tot ze naar buiten kunnen en laten hoorbaar merken dat ze het getalm van Snow niet op prijs stellen. Snow springt in haar pantoffels en stormt nog wat slaapdronken de trap af, richting voordeur. “Hey, hoow, kalm aan jullie. Het is nog maar…”, Snow kijkt naar de klok. Het is duidelijk nog wat vroeg voor haar; enkele momenten gaan voorbij terwijl ze de wijzers van de klok bestudeert. “Het is nog maar kwart na zeven – zoiets. Hoe dan ook, het is amper licht buiten. En Rose slaapt nog. En ik ben nog moe. En…”. De dieren hebben er geen oor naar. En dat het buiten nog wat donker is, doet er niet toe: Vos, Raaf en Zwaan zullen en moeten snel wat frisse buitenlucht opsnuiven. “Ok dan!”, zegt Snow lichtjes geïrriteerd. Ze zwaait de deur open. Een koude windvlaag blaast enkele dorre blaadjes naar binnen. Snow zucht.

Ah, die zalige, frisse winterwind. De dieren vinden het geweldig. Vos is als eerst buiten, Raaf flapperend achter hem aan. Zwaan doet het iets rustiger, en waggelt sierlijk het tuinpad op, op een afstand gevolgd door Snow die ondertussen haar winterjas, muts, sjaal en handschoenen heeft aangetrokken. “Brrrrr, wat is het kil”, zegt Snow, terwijl ze haar sjaal tot net onder haar ogen optrekt. De dieren lijken er geen last van te hebben: Vos springt uitbundig heen en weer door de haag en Raaf kraait vrolijk de zonsopgang tegemoet vanop het topje van de notenboom. Zwaan is nog steeds aan het rondwaggelen; haar kopje draait van links, naar rechts en terug naar links. “Wat is er Zwaan, zoek je iets?”, vraagt Snow, “Wil je misschien naar de rivier? Kom, da’s deze kant uit!”. Vol enthousiasme waggelt Zwaan Snow achterna. Een korte wandeling later arriveren ze bij de rivier. “Zwaantje”, zegt Snow, “Dat water is wel ijskoud hé. Is dat wel een goed idee met je vleu…”. Maar nog voor ze haar vraag kan afmaken, springt Zwaan in het water en dobbert ze genietend rond.

Forget-me-not

Snow kijkt al glimlachend naar het tafereel en voelt plots haar vingers kriebelen. Vlijtig haalt ze een potlood en haar schetsboekje uit de grote jaszak tevoorschijn. Ze bladert er even door, op zoek naar de eerste lege bladzijde; herinneringen aan warmere seizoenen flitsen voorbij. Ze maakt een schets van Zwaan, omringd door winterse plantjes. “Deze is mooi”, denkt ze, “Hier ga ik een kaartje van maken”.

Forget-me-not

Er valt een regendruppel op haar boek. En nog één. “Tijd om naar huis te gaan”, roept Snow, terwijl ze haar schetsboek wegstopt en haar vingers wat warm blaast. Ze snakt naar een kop hete thee en de warmte van de haard. De dieren lopen achter haar aan, een beetje tegen hun zin – dat merk je gewoon. “Kom, kom. Straks zullen we opnieuw naar buiten gaan”, zegt Snow, “Maar eerst ontbijten!”. Het ontbijt… Dat was Vos helemaal vergeten! Als een pijl vliegt hij iedereen voorbij.

De inkomhal ruikt naar krentenkoek en vanillevla, en op het vuur staat een ketel thee te pruttelen. “Hmmmm, dat ruikt zalig zusje”, zegt Snow, “Dat zal smaken”.

Wordt vervolgd!

Concept/Art/Story by Debbie Lavreys