Hoofdstuk 1 - Beer, § 6

Beste dagboek,

Terwijl ik je schrijf zit ik bij de jonge eik diep in het bos. Het is hier aangenaam tussen het mos en het dorre gras.

De jonge eik

De laatste dagen word ik overspoeld door donkere gedachten. Eenzaamheid overmant mij. Rose en Beer groeien steeds meer naar elkaar toe. Ik heb Beer al een paar keer betrapt op een flirterige knipoog richting Rose. Ik gun het hen wel, maar ik voel een gemis – heel diep vanbinnen – in mijn hart.

Waar blijft de lente? Waar zijn de vlinders die van bloem tot bloem fladderen? Wanneer zal ik nogmaals het melancholische lied van de merel horen? Ik verlang naar… (zucht)

De jonge eik

Ach die Raaf toch, hij heeft het ook al opgemerkt dat ik niet in mijn gewone doen ben. Net nog kwam hij op mijn schouder zitten en streek hij met zijn snavel door mijn haren. Wat ben ik blij dat je bij mij bent, mijn lieve gevederde vriend.

Het komt wel goed…
Snow


Voetnoot van Raaf:
Kraaa kraa kraaik ben er voor je Snow, voor altijkraa kraa kraaa!

Concept/Art/Story by Debbie Lavreys